nog eentje van hetzelfde dove honden forum
http://sierra.messageboard.nl/9278/viewtopic.php?t=46doofheid komt in meerdere vormen voor en kan verschillende oorzaken hebben. Door een ontsteking kan er sprake zijn van een verstopping van de uitwendige gehoorgang of er treedt doofheid op als gevolg van ouderdom (bij honden ouder dan 12 jaar). Daarnaast bestaat er doofheid als gevolg van een erfelijk bepaalde afwijking, de zogenaamde congenitale doofheid of in zijn specifieke vorm ook wel cochleaire doofheid genoemd.
Het oor bestaat uit 3 delen: het uitwendige oor, het middenoor en het inwendige oor.
Het uitwendige oor wordt gevormd door het gedeelte van de oorschelp tot het trommelvlies. De wand van de uitwendige gehoorgang scheidt smeer af om de gehoorgang vochtig en soepel te houden. Het smeer is bruingeel van kleur en zeer pasteus. Geluid wordt opgevangen door de oorschelp en via de gehoorgang vervoerd naar het trommelvlies. Het trommelvlies is de begrenzing van het uitwendige oor en wordt door het geluid in trilling gebracht. De daardoor ontstane geluidstrillingen worden via de 3 gehoorbeentjes in het middenoor naar het inwendige oor getransporteerd. De 3 gehoorbeentjes zijn de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel.
Het middenoor dient verder voor het op peil houden van de luchtdruk in het oor. Luchtdrukverschillen worden opgeheven, doordat het middenoor via de Buis van Eustachius in verbinding staat met de neus- en keelholte. Indien deze doorgang er niet zou zijn, zou het voorkomen, dat de luchtdruk in het middenoor afwijkt van de luchtdruk in het uitwendige oor (buitenlucht). Hierdoor zou het trommelvlies continu te maken hebben met verschillende drukpunten, waardoor dit bol of hol zou gaan staan. Daarmee kan het zijn trilfunctie niet goed uitoefenen en bestaat daarnaast de mogelijkheid, dat dit vlies scheurt of knapt.
Het inwendige oor bestaat uit het slakkenhuis (cochlea). Dit is aan het begin en het eind voorzien van een vlies om de vloeistof die zich in dit gedeelte van het oor bevindt niet te laten weglopen. Het ovale vlies van het slakkenhuis wordt in trilling gebracht door de stijgbeugel uit het middenoor, waarna het membraan in het slakkenhuis de trillingen verspreidt over de aldaar liggende zintuigcellen. De zintuigcellen zetten de trillingen vervolgens om in zenuwimpulsen, die getransporteerd worden naar de hersenen, waarna in de hersenen een gewaarwording ontstaat van een geluidsfrequentie.
Cochleaire doofheid wordt veroorzaakt, doordat de zintuigcellen die de trillingen in het slakkenhuis moeten omzetten in zenuwimpulsen afsterven. De afsterving van deze zintuigcellen is een gevolg van een degeneratie van de bloedvaten die deze zintuigcellen van bloed, en de zich daarin bevindende noodzakelijke stoffen, moeten voorzien. En de degeneratie van de bloedvaten is vermoedelijk een gevolg van het niet aanwezig zijn van pigmentcellen in het middenoor. Tijdens de embryonale ontwikkeling van de hond spelen deze pigmentcellen een cruciale rol in de ontwikkeling van de gehoorfunctie van het oor. Zijn deze pigmentcellen niet aanwezig dan zullen de zintuigcellen, die niet voorzien worden van voldoende bloed, afsterven. Dit begint direct na de geboorte en is op een leeftijd van 5 à 6 weken voltooid. Hierdoor is er geen mogelijkheid meer dat zenuwimpulsen worden gegeven aan de hersenen en vindt dus geen geluidswaarneming meer plaats.
Deze pigmentcellen worden onderdrukt bij honden met een witte kleur, die veroorzaakt wordt door de zogenaamde piebald en merle genen. De merle factor kennen we van rassen als de Schotse Herdershond en de Australian Shepherd. Hiervan is bekend, dat uit een paring van 2 merle honden, pups worden geboren, die allemaal doof zijn.
De aanwezigheid van het piebald gen zien we bij de Dalmatische Hond en de Bull Terriër. Ook binnen deze rassen komt cochleaire doofheid voor. Maar ook bij de Argentijnse Dog, de Border Collie, de Boxer, de Engelse Setter, de Old English Sheepdog en de Shetland Sheepdog.
Cochleaire doofheid kan eenzijdig en beiderzijds voorkomen. Een dove pup is meestal nog wel te herkennen, in tegenstelling tot een eenzijdig dove pup. Fokkers kunnen deze eenzijdig dove honden er meestal nog wel uithalen, maar voor een leek wordt dat moeilijk, omdat een dergelijke hond nog heel goed kan functioneren.
Sedert een aantal jaren kan d.m.v. de BAER-test worden vastgesteld of de hond wel of niet doof is.
Afhankelijk van de populatie en de omvang van de doofheid binnen de verschillende families in een populatie, worden door de verschillende rasverenigingen al dan niet eenzijdige dove honden van de fokkerij uitgesloten. Voor alle rassen geldt dat niet gefokt mag worden met beiderzijds dove honden.